De maalschap Wede en Emmeklaar wordt voor het eerst in een oorkonde genoemd

Uit Tijdbalk Amersfoort
Versie door Michiel (overleg | bijdragen) op 18 feb 2016 om 10:13 (1 versie geïmporteerd)
Ga naar:navigatie, zoeken

tot 800 800-900 900-1000 1000-1100 1100-1200 1200-1300 1300-1400 1400-1500 1500-1600 1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-2000 vanaf 2000

15-2-1282


Onderwerp(en)

Bron(nen)

Gebeurtenis

Dit maalschap leeft hedentendage nog voort in "het zeer oud en voornaam College van de Malen op het Hoogland, buiten de stad Amersfoort"; kortweg, de malen van Hoogland.

Een korte geschiedenis in vogelvlucht (de nummers in de tekst verwijzen naar de bladzijden van de bron, Dekker).

Het Hogeland was aanvankelijk een geografisch begrip voor de zandige rug ten noorden van Amersfoort. In de 12e eeuw is men vanuit het Hogeland begonnen met ontginning van het naar de Zuiderzee aflopende gebied in het noorden (15). Op het Hogeland lagen buiten de eng, waar landbouw werd bedreven, de ongecultiveerde of woeste gronden. Aldaar aangeduid als duisten (velden begroeid met duistplanten, een grasachtig onkruid), de maten of hooilanden en de heetvelden, begroeid met heide (23). Boerenhoeven hadden een aandeel in de collectief gebruikte woeste gronden, de meent genaamd. Zo?n aandeel werd waarschap genoemd. De meentgerechtigden konden woeste grond slaan, dat wil zeggen verdelen met het oog op ontginning. Iedere gerechtigde kreeg een hoeveelheid grond toegewezen naar rato van wat hij bezat op de eng (15).

Boeren van hoeven waaraan waarschappen waren verbonden, sloten zich op genootschappelijke basis aaneen tot maalschappen. De gerechtigden zelf werden malen genoemd. Op het Hogeland werd zo in 1282 de maalschap van Wede en Emmeklaar gevormd (d.w.z. voor het eerst in een oorkonde vermeld). Deze maalschappen kwamen op verschillende plaatsen op de zandgronden van Oost-Utrecht en de Veluwe voor. Verder naar het noordoosten van Nederland sprak men van marken (23, 25). De vorming van de maalschap vond plaats lang voor de late 13e en de 14e eeuw, toen er al pachters op de hofsteden zaten en de malen zelf belangrijke heren waren geworden en (deels) als burgers in de stad woonden. In de 14e eeuw was de band tussen de malen en leden van het stadsbestuur van Amersfoort tamelijk nauw te noemen (28, 29).

Johan van Oldenbarnevelt (geboren in Amersfoort in 1547) was in 1590 een van de malen. Hij bezat de malenhoeve Groot Emmeklaar en een aandeel in het gemene malengoed (54).

De doorgaande vervreemding en herhaaldelijke overdracht van stukken land deden de oorspronkelijke relatie met de malengoederen in de loop van de tijd steeds meer vervagen. Dit gold niet voor het tiendrecht, dat ook bij wisseling van eigenaar behouden bleef. Dit recht werd afgeschaft bij de Tiendwet van 1907, met ingang van 1909 (45). Tienden, tijnzen of thinsen betreft een belasting waarbij per jaar een tiende van de oogst of van het jonggeboren vee aan de verpachter moest worden afgestaan. Aan de malen werd jaarlijks hun aandeel in de opbrengst van de gemeenschappelijke tijnzen en landen uitgekeerd (53).

In de 17e en 18e eeuw kwamen de bezitters van de hoeven (de geërfden, landgenoten of ingelanden) en de gerechtigden in het gemene malenbezit (malen) regelmatig tegenover elkaar te staan. Onder de eersten waren toen nog boeren, maar velen waren hereboer en woonden in de stad. Onder de malen waren ook hereboeren, maar de meesten waren alleen maar heer (56).

Aanvankelijk, tot midden 14e eeuw, hadden de malen een exclusieve rol in de rechtspraak (58). Bij de overdracht van onroerend goed was vaak een tijnsmeester (van de gemene malen) aanwezig (63).

In Wede en Emmeklaar waren niet de gerechten, maar was de maalschap het vanzelfsprekende kader waarin onderhoud en schouw van wegen en waterlopen plaatsvonden. De schouten van de gerechten waren wel nodig om de door hen opgelegde straffen ten uitvoer te leggen (76). Na de instelling in 1616, van het waterschap van de Rivier de Eem, beken en aankleve van dien, onder een watergraaf en heemraden, kwam een einde aan het schouwen door de maalschap (81). Hoewel de schouwbevoegdheid in 1617 door de Staten van Utrecht aan de maalschap werd teruggegeven, speelden de echte waterstaatszaken zich meer en meer buiten de malen om af (82, 83).

Vooral in de 16e eeuw verschoof het begrip malen van bezitters van malenhoeven naar gerechtigden in de baten van het gemene malengoed. Dit had gevolgen voor de deelname van de maalschap aan het publieke leven in Hoogland. Alleen wanneer er een stuk land werd overgedragen waaruit de malen tijns beurden, waren zij nog aanwezig in het gerecht met hun tijnsmeesters. In de loop van de 17e eeuw kwam er geleidelijk een einde aan de feitelijke heerschappij van de malen. De gezeten burgers uit Amersfoort moesten anderen in de gerechten, die in de loop der 18e eeuw ook bestuurstaken kregen, naast zich dulden. Door hun invloed en relaties wisten de malen hun publieke rol van niet beëdigde schouwers nog te verlengen (84, 85 en 86). Na juridische strijd kwam rond 1819 ook een einde aan het schouwen door de malen. Dit naar aanleiding van een waarschijnlijk verloren request van de malen op een Koninklijk Besluit van 7 januari 1817 B3 aangaande de dijk- en polderbesturen. Een besluit op het request is namelijk niet bekend. Daarom kwam op de jaarlijkse convocaties van de malen, op de plaats waar vroeger de namen van de gecommitteerden tot de schouw werden vermeld, voortaan de zinsnede te staan: "op het gepresenteerde request betrekkelijk het voeren der schouwe tot hiertoe geen berigt ingekome zijnde, dient zulks alhier alleenlijk om aan te gedenken". In aangepaste vorm wordt deze zinsnede nu nog op de convocaties vermeld. Deze drukt nog steeds de spijt en verontwaardiging uit over het verlies van de rol van de malen in het openbare leven (87). Na het verlies van het schouwrecht was het college van een publiekrechtelijk lichaam een privaatrechtelijk genootschap geworden. De verhuring van malenlanden was nu de belangrijkste taak geworden (104).

De functies van rentmeester en tijnsmeesters werden sinds 1770 bekleed voor telkens tien jaar, met recht van herverkiezing. In de 19e eeuw werd de rentmeester in de praktijk benoemd voor het leven. In de 20e eeuw werd die lijn doorgezet. Sinds 1989 wordt de rentmeester voor tien jaar benoemd, met mogelijkheid van herbenoeming, met een leeftijdsgrens van 72 jaar. Dat geldt ook voor de tijnsmeesters. Verder moet een van de twee tijnsmeesters in Hoogland een landbouwbedrijf uitoefenen. Sinds 1983 mogen ook vrouwen deel uitmaken van het college. Daartoe was wel bijna een rechtzaak gevoerd, aangespannen door een vrouw. Uiteindelijk bleek tweederde van de malen geen bezwaar tegen een vrouwelijk lid te hebben en werd een kort geding afgeblazen (106-112).

Omstreeks 1990 bezat het college 55 ha. grond. Met name door de aanleg van de wijk Nieuwland is een groot deel van de grond (ruim 21 ha.) daar verkocht (114-117).

Het college komt nog steeds jaarlijks bijeen op Sint Margrietdag. Dekker noemt op verschillende plaatsen de datum 13 juli (106, 116) en in voetnoot 330 op blz. 133 spreekt hij over de notulen van de generale bijeenkomsten op Sint Margriet of kort daarna.

Onder de hyperlink ?Margriet? wordt de datum 20 juli voor deze heiligendag genoemd. In de middeleeuwen (de periode van ca. 500 - ca. 1500) werd de dag in verschillende delen van Europa gevierd op 13 of op 20 juli.

PM: Emmeklaar ook geschreven als Emiclaer


Link(s):